Het was een kostelijk weertje en ik besloot de benenwagen te nemen richting het ouderlijk huis. Toen ik de straat insloeg, zag ik een groepje jongelui vanaf de andere kant naderen. Ik groette, en werd teruggegroet door een afgeschoten pijl.
Goed mikken
konden ze niet, ontdekte ik toen de pijlen over en langs mij heen zoefden. Het
groepje jongelui, verwilderd en een dolle blik in de ogen zag ik inmiddels, nam
een spurt in mijn richting. Zo snel als ik kon rende ik weg, richting de
achterstraat van een oude buurvrouw, waar ik beschutting zocht onder een houten
roeibootje. Toen ik de groep voorbij zag trekken en lang genoeg had gewacht tot
de kust veilig genoeg zou zijn, kwam ik onder het vaartuig vandaan gekropen en
liep ik de straat op. Daar lagen al reeds gesneuvelden.
Wat was er aan
de hand? Er was iets gruwelijk uit de klauwen gelopen, er zat iets grondig mis,
maar wat?
‘Wat is er loos?’
vroeg ik aan een voorbijganger. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Weet je het dan niet?’ zei hij, ‘ze zijn
bezig’.
‘Wie?’ vroeg ik terwijl ik zijn arm
vastgreep. ‘Wie, beste man? Vertel het me!’
Maar de man rukte zich los, keek
angstig om zich heen, en nam tenslotte de benen.
Radeloos liep
ik rond, en in het Oude Dorp zag ik ze voor het eerst: de baarden. In een pick-uptruck
scheurden ze door de straten. Bij het Oude Raadhuis zag ik de banier die ze aan
de toren hadden bevestigd. In vrolijke grote regenboogletters las ik de tekst ‘Welkom
in het kalifaat!’.
Daaronder verschillende
AI-gegeneerde plaatjes van allerlei vrome mensen. de één was bezig met een godsdienstige
oefening, een ander roerde lachend met een spatel in kom.
Een kalifaat
dat AI gebruikt, dacht ik nog, wat goedkoop.
Ik werd een
kelder ingetrokken, waar een groepje mensen zich had verzameld. Ze waren bezig
een verzetsgroep te organiseren. Vanuit de kelder hoorde ik twee leden van het
regenboogkalifaat naderen. Ze hadden het over zuiveringen, over quota, er werd
een te behalen nummer genoemd. Ho eens even, niet in mijn land, niet zolang ik
leef. Ik vroeg aan de andere leden hoe ik deel kon nemen aan het verzet. En
toen schoot ik wakker met het zweet op mijn voorhoofd.
03:05, zei de
wekker.
Ik voelde aan
mijn bovenarm en ontdekte dat die verdraaide pleister er nog op zat. Zuchtend
trok ik dat ding van mijn huid en wierp ik het van mij af.
In de tweede
droom ging ik met zeer vervroegd pensioen. Ik stond in dezelfde straat, met
heel veel mensen, maar de stemming was ditmaal feestelijk. Een fanfare kwam de
straat ingelopen, we zongen liederen, aten een gebakje. De rest kan ik mij niet
meer herinneren.
In de ochtend
zocht ik naar de bijsluiter, die ik eerder vluchtig had doorgenomen en achteloos
aan de kant had geworpen. Aha, de bijwerkingen:
Moeite om in
slaap te vallen of door te slapen.
En: slechte dromen.
Slecht was het
zeker. Als was het maar vanwege het open einde.
Het stoppen
valt me nog niet mee.
Reacties
Een reactie posten