In ons dialect wordt een woord als snel als verkleinwoord gebruikt. Huis wordt ussien, boot wordt bootjen, auto wordt autootjen. Prettig hierbij is dat alle verkleinwoorden nog worden afgesloten met de letter n.
Nu staat echter het barbecueseizoen weer op het punt van
beginnen. En ik hoorde laatst iemand haar plannen uitspreken om een barbecue te
organiseren, waarbij er ‘lekker veel vleesies’ zou worden gebruikt.
Iemand anders hoorde ik eens spreken over ‘vleesjes’. Net een graadje vervelender dan 'vleesies'.
Waarom weet ik niet, maar mijn trek is dan toch minder. Vlees
hoort niet in een verkleinwoord uitgesproken te worden. Vlees is een
stoere lamsbout aan het bot, vleesjes zijn die stukjes bovenarm die slap
worden bij gebrek aan spieroefening.
We gebruiken verkleinwoorden om de taal wat gezelliger te
maken. Helemaal geen probleem, leuk juist. Maar hoezeer ik verkleinwoorden ook
waardeer, bij vleesjes trek ik een grens. Taal moet ook weer geen taaltje
worden.
Ooit hoorde ik eens een stel de avondmaaltijd organiseren. Hij
moest boodschappen doen voor macaroni en zij noemde daar de benodigdheden voor
op. Dat waren naast gehaktjes ook groentjes, zoals paprikaatjes en championetjes.
En er moest natuurlijk gedacht worden aan sausjes. Of die die uit pakjes of van
verse tomaatjes werd gemaakt weet ik niet meer.
Hoe dan ook zag ik de man van het stel voor me in een
gaarkeukentje, met een mesje paprikaatjes aan het snijden op een snijplankje. Die
deed hij vervolgens in het pannetje met rulle gehaktjes. Toen de macaronietjes gaar
waren roerde hij die door het sausje. Tenslotte schepte hij een flink lepeltje
op een bordje en duwde hij die in de handjes van een hongerig kaboutertje.
Reacties
Een reactie posten