Doorgaan naar hoofdcontent

#608 Een kostelijk museumdagje

De Rijp is niet groot. Een lintdorpje is het maar, aan een vaartje, midden in Noord-Holland. Dat zie je ook meteen aan de houten geveltjes en schuine huisjes, aan de vaart die hoger ligt dan de autoweg, aan de auto die je parkeert op een kade van een halve meter. Water is in dit land nooit ver weg. Musea ook niet. Daarom zijn we hier, we hebben een museumdagje. 

Het museum waarvoor we kwamen ging pas om half 2 open, dus besloten we om eerst In ’t Houten Huis te bezoeken, het dorpsmuseum van dit Hollandse plaatsje.

Van een enthousiaste ontvangstdame mochten we inleidende film van ongeveer 7 minuten zien. Als we zin hadden, mochten we daarna ook nog een andere film zien, die ook ongeveer 7 minuten zou duren. Prima, knikten wij, zet maar aan.

We zagen klompen door drassig landschap sjokken terwijl een stem begon te vertellen. De Rijp werd in de 13e eeuw gesticht door voormalig duinbewoners, die vanaf het drassige land de zee optrokken voor visvangst, later ook voor de beroemde haringvangst. Het dorp lag toen nog op een eiland in grote meren, maar die werden in de 17e eeuw drooggemaakt door een bekende inwoner van het dorp: Leeghwater. Voortaan keken de Rijpenaars uit op de Beemster.

Toen de haringvangst terugliep, richtte de Rijpenaars zich op de walvisvangst. Helemaal naar Groenland trokken ze, waar ze walvissen aan stukken sneden en kookten, om er olie (traan) van te maken. Het bracht handel en welvaart naar het dorpje. Ik herkende ondertussen een patroon: visserij, inpoldering, een nieuwe handel en onverwachtste welvaart. De walvisvaart was Het wonder van De Rijp. Bijzonder dieronvriendelijk, dat wel, maar er kwam tenminste weer brood op de plank.

In het dorp en omgeving stonden ook veel molens. Daar werd onder andere hennep verwerkt tot scheepstouw. Eén zo’n molen, tot de nok toe gevuld met hennep, vatte op een ongelukkige dag vlam en vloog vervolgens ongenadig in de fik. Het duurde niet lang voordat het vuur de houten huizen bereikte, en het dorp verging in gruwelijke vlammen. Dat laat het flink uitvergrootte schilderij in het filmpje ons zien althans.

Aan het plafond hing een Kajak. Ik stond er een tijdje naar te kijken. ‘Bijzonder he,’ kwam de enthousiaste ontvangstdame vanachter haar desk toegesneld, ‘en weet je nou wat er zo bijzonder aan is?’

Zonder antwoord af te wachten vertelde de enthousiaste ontvangstdame dat de kajak in 1675 was meegenomen vanuit Groenland. Waarschijnlijk buitgemaakt van de Inuit. Het was een geschenk voor iemand uit het dorp, die ermee verlegen was en het ding daarom maar op zolder schoof. In de jaren ’30 werd het geschonken aan het nieuw opgerichte museum. De kajak, tenminste 350 jaar oud maar wellicht nog ouder, is bijzonder omdat er geen spijker aan te pas is gekomen. De materialen waarmee het ding is gemaakt zijn niets meer dan aangespoeld hout, zeehondenhuid en walvisbalein. In een groot röntgenonderzoek bleek dat in de twee punten een vossen- en meeuwenkop zitten, waarschijnlijk als talismannen in het vaartuig verwerkt. Wie wat bewaard heeft wat, zegt m’n bessien altijd. Potjandorie wat een ding.

Mooi makelaartjen

De enthousiaste ontvangstdame wees ons ook nog op een miniatuurbeeldje van Jan Jansz. Weltevree. Mogelijk de bekendste Nederlander in Korea. Jan spoelde na een storm aan in 1627 en mocht nooit meer vertrekken vanwege de isolatiepolitiek. Hij trouwde er een Koreaanse en klom op tot raadgever aan het hof. In Korea droeg hij de naam Pak Yŏn (Meester Jan). Nog steeds komt er volgens de ontvangstdame ieder jaar een bus vol Koreanen naar De Rijp om zijn beeld op de foto te zetten.

Het is dat er later schipbreukelingen van de VOC aan land kwamen en wisten te ontsnappen, anders hadden we van die hele Pak Yŏn nooit meer iets gehoord. Een andere ontvangstdame kwam binnen. De enthousiaste ontvangstdame ging met lunchpauze. Wij besloten hetzelfde te doen. In een restaurantje gelegen naast het voormalig raadhuis, nog ontworpen door Leeghwater zelf, aten we een pannenkoek met spek en kaas. Het was herfst. We hadden er zin in. We hadden het verdiend.

We reden door de polder naar Middenbeemster, de hoofdplaats van de droogmakerij waar in vroegere tijden rijke kooplieden uit Amsterdam hun zomers doorbrachten in weelderige buitenplaatsen. In een voormalig pastorie zit het Betje Wollf Museum gevestigd. Leuk als je eens in de Beemster bent.

Daar lag ze

Betje Wolff werd geboren in Vlissingen, waar ze op zeventienjarige leeftijd de benen nam met een vrijer. Het kind viel in ongenade bij de kerk, haar vader dacht er daarom goed aan te doen haar uit te huwelijken aan een 30 jaar oudere dominee. Ze vertrok naar de Beemster, waar ze las en gedichten schreef. Ze zou er een vriendschap ontwikkelen met een zekere Aagje Dekens, een voormalig dienstmeisje die ook aardig schrijven kon. Samen vertaalden ze werken en schreven ze briefromans. Vanwege hun verlichtingsidealen verkasten ze een tijdje naar Frankrijk, berooid kwamen ze weer terug. Terug in Nederland sloegen ze weer aan het schrijven, ze vertaalden onder andere één van de eerste aanklachten tegen de slavernij. Betje overleed in 1804 op 66-jarige leeftijd, haar hartsvriendin Aagje overleed 9 maanden later.

Daar at ze

Een bijzonder levensverhaal dus, van een bijzonder duo. Benieuwd als ik ben trok ik aan een kastdeur in de eetruimte, waarna er een alarm afging. Schuldbewust melde ik me bij de museumvrijwilligers, maar er was niets aan de hand. Er was iemand bezig het alarm te testen.

Daar zit ze

We hadden wel genoeg van die 18e-eeuwse romantiek en stapten de auto in voor een bekkien in Edam, een eindje verderop. Via de voormalige Zuiderzeedijk klommen we weer omhoog naar Enkhuizen, waar we de Houtribdijk overstaken richting huis. Het IJsselmeer was herfstachtig grijs en al lekker onstuimig. De zomer is voorbij. Maar mijn zomervakantie nog niet. Met de Museumjaarkaart in de knip valt er nog genoeg te ontdekken. En ik heb nog genoeg op mijn lijstje staan. 

I 🧡 Nederland Museumland. 



Reacties

Populaire posts van deze blog

#350 Kwartaalrapportage IX

Mensenkinderen, wat vliegt de tijd. Is het zomaar alweer eind maart. Zomertijd. De eerste kwart zit erop. De kop is eraf. Tijd voor de eerste kwartaalrapportage van ’26. Lezen gaat in golfbewegingen. Soms lees je drie of vier boeken achter elkaar, en soms lees je een hele maand niet. Maart was zo’n maand waarin ik niet het juiste boek kon vinden. Komt vast wel weer. Dit jaar wilde ik het anders aanpakken. Na het lezen van het eerste boek besloot ik dat het volgende boek verband moest houden of een link moest hebben met het vorige boek. Een soort boekenalgoritme. Dat kon twee kanten opgaan: of ik zou heel makkelijk onverwachte titels gaan lezen, of ik zou eindeloos moeten zoeken naar een goede titel en daardoor juist minder gaan lezen. Allebei de situaties zijn het geval, denk ik. Maar goed, hierbij dus het algoritme tot zover. Wie weet zit er een leuke titel voor je tussen. Wie weet ook niet. Dat mag je lekker helemaal zelf weten. Leuk he? Hoax -  Jan-Willem van Prooijen ...

#177 terug Europa in

In Europa – proloog Als ik de vraag zou krijgen welk boek hét beste geschiedenisboek ooit is, zou ik meteen naar de boekenkast lopen om er een dikke pil uit te pakken. Er bestaan zoveel mooie, goede en interessante geschiedenisboeken (en stripboeken), maar ééntje steekt daar toch wel echt met kop en schouders bovenuit. En het is dit jaar 20 jaar geleden dat het boek uitgebracht werd. Het beste geschiedenisboek ooit blijft, in mijn optiek, In Europa van Geert Mak. Europese Steinbeck Geert Mak is geen historicus, zoals hij dat zelf vaak op bescheiden toon benadrukt. Hij is een journalist. Maar dat juist die twee dingen, journalistiek en geschiedkunde, bijzonder goed samengaan, heeft Mak met zijn In Europa bewezen. Er is geen ander boek als dit boek. Het zijn twee reizen die Mak hier maakt: eentje door het Europa van 1999 en eentje door die hele akelige, spannende, bewonderingswaardige en dynamische twintigste eeuw. Hij liet zich er voor inspireren door John Steinbeck, een Amerika...

#208 De mensheid zal nog van mij horen

Mag je een boek bejubelen alvorens je hem uitgelezen hebt? Ga het toch doen. In de podcast Radio Romano, een voortzetting van de Krokante Leesmap, werd het nieuwe boek van Joris van Casteren getipt. Bekend van titels als Lelystad, Het been in de IJssel en Het zusje van de bruid. De titel van dat boek over de man die jarenlang zijn overleden moeder in huis bewaarde heb ik zo snel niet paraat. Lelystad was een toffe leeservaring, kan niet anders zeggen. Zijn manier van schrijven - kort en afstandelijk en juist daardoor ironisch – trok me in een mum van tijd door dat hele boek heen. Van Casteren heeft een oog voor het menselijk tekort, en er is niets mooiers dan het menselijk tekort. Even zonder gekheid, de boeken van Van Casteren zijn niet enkel droog of grappig. Vaak juist een beetje luguber. Zoals Het been in de IJssel, wat gaat over, nou ja, een gevonden menselijk been in de IJssel. Dat boek is een zoektocht naar de eigenaar van dat been, wat hem uiteindelijk helemaal naar Duitsland l...