De Rijp is niet groot. Een lintdorpje is het maar, aan een vaartje, midden in Noord-Holland. Dat zie je ook meteen aan de houten geveltjes en schuine huisjes, aan de vaart die hoger ligt dan de autoweg, aan de auto die je parkeert op een kade van een halve meter. Water is in dit land nooit ver weg. Musea ook niet. Daarom zijn we hier, we hebben een museumdagje.
Het museum waarvoor we kwamen ging pas om half 2 open, dus besloten we om eerst In ’t Houten Huis te bezoeken, het dorpsmuseum van dit Hollandse plaatsje.
Van een enthousiaste ontvangstdame mochten we inleidende film van ongeveer 7 minuten zien. Als we zin hadden, mochten we daarna ook nog een andere film zien, die ook ongeveer 7 minuten zou duren. Prima, knikten wij, zet maar aan.
We zagen klompen door drassig landschap sjokken terwijl een stem
begon te vertellen. De Rijp werd in de 13e eeuw gesticht door voormalig
duinbewoners, die vanaf het drassige land de zee optrokken voor visvangst,
later ook voor de beroemde haringvangst. Het dorp lag toen nog op een eiland in
grote meren, maar die werden in de 17e eeuw drooggemaakt door een
bekende inwoner van het dorp: Leeghwater. Voortaan keken de Rijpenaars uit op
de Beemster.
Toen de haringvangst terugliep, richtte de Rijpenaars zich
op de walvisvangst. Helemaal naar Groenland trokken ze, waar ze walvissen aan
stukken sneden en kookten, om er olie (traan) van te maken. Het bracht handel en
welvaart naar het dorpje. Ik herkende ondertussen een patroon: visserij, inpoldering,
een nieuwe handel en onverwachtste welvaart. De walvisvaart was Het wonder van
De Rijp. Bijzonder dieronvriendelijk, dat wel, maar er kwam tenminste weer
brood op de plank.
In het dorp en omgeving stonden ook veel molens. Daar werd onder andere hennep verwerkt tot scheepstouw. Eén zo’n molen, tot de nok toe gevuld met hennep, vatte op een ongelukkige dag vlam en vloog vervolgens ongenadig in de fik. Het duurde niet lang voordat het vuur de houten huizen bereikte, en het dorp verging in gruwelijke vlammen. Dat laat het flink uitvergrootte schilderij in het filmpje ons zien althans.
Aan het plafond hing een Kajak. Ik stond er een tijdje naar te kijken. ‘Bijzonder he,’ kwam de enthousiaste ontvangstdame vanachter haar desk toegesneld, ‘en weet je nou wat er zo bijzonder aan is?’
Zonder antwoord af te wachten vertelde de enthousiaste ontvangstdame
dat de kajak in 1675 was meegenomen vanuit Groenland. Waarschijnlijk buitgemaakt
van de Inuit. Het was een geschenk voor iemand uit het dorp, die ermee verlegen
was en het ding daarom maar op zolder schoof. In de jaren ’30 werd het geschonken
aan het nieuw opgerichte museum. De kajak, tenminste 350 jaar oud maar wellicht
nog ouder, is bijzonder omdat er geen spijker aan te pas is gekomen. De
materialen waarmee het ding is gemaakt zijn niets meer dan aangespoeld hout,
zeehondenhuid en walvisbalein. In een groot röntgenonderzoek bleek dat in de twee
punten een vossen- en meeuwenkop zitten, waarschijnlijk als talismannen in het
vaartuig verwerkt. Wie wat bewaard heeft wat, zegt m’n bessien altijd.
Potjandorie wat een ding.
![]() |
| Mooi makelaartjen |
De enthousiaste ontvangstdame wees ons ook nog op een miniatuurbeeldje van Jan Jansz. Weltevree. Mogelijk de bekendste Nederlander in Korea. Jan spoelde na een storm aan in 1627 en mocht nooit meer vertrekken vanwege de isolatiepolitiek. Hij trouwde er een Koreaanse en klom op tot raadgever aan het hof. In Korea droeg hij de naam Pak Yŏn (Meester Jan). Nog steeds komt er volgens de ontvangstdame ieder jaar een bus vol Koreanen naar De Rijp om zijn beeld op de foto te zetten.
Het is dat er later schipbreukelingen van de VOC aan land kwamen en wisten te ontsnappen, anders hadden we van die hele Pak Yŏn nooit meer iets gehoord. Een andere ontvangstdame kwam binnen. De enthousiaste ontvangstdame ging met lunchpauze. Wij besloten hetzelfde te doen. In een restaurantje gelegen naast het voormalig raadhuis, nog ontworpen door Leeghwater zelf, aten we een pannenkoek met spek en kaas. Het was herfst. We hadden er zin in. We hadden het verdiend.
We reden door de polder naar Middenbeemster, de hoofdplaats van de droogmakerij waar in vroegere tijden rijke kooplieden uit Amsterdam hun zomers doorbrachten in weelderige buitenplaatsen. In een voormalig pastorie zit het Betje Wollf Museum gevestigd. Leuk als je eens in de Beemster bent.
![]() |
| Daar lag ze |
Betje Wolff werd geboren in Vlissingen, waar ze op zeventienjarige leeftijd de benen nam met een vrijer. Het kind viel in ongenade bij de kerk, haar vader dacht er daarom goed aan te doen haar uit te huwelijken aan een 30 jaar oudere dominee. Ze vertrok naar de Beemster, waar ze las en gedichten schreef. Ze zou er een vriendschap ontwikkelen met een zekere Aagje Dekens, een voormalig dienstmeisje die ook aardig schrijven kon. Samen vertaalden ze werken en schreven ze briefromans. Vanwege hun verlichtingsidealen verkasten ze een tijdje naar Frankrijk, berooid kwamen ze weer terug. Terug in Nederland sloegen ze weer aan het schrijven, ze vertaalden onder andere één van de eerste aanklachten tegen de slavernij. Betje overleed in 1804 op 66-jarige leeftijd, haar hartsvriendin Aagje overleed 9 maanden later.
![]() |
| Daar at ze |
Een bijzonder levensverhaal dus, van een bijzonder duo. Benieuwd als ik ben trok ik aan een kastdeur in de eetruimte, waarna er een alarm afging. Schuldbewust melde ik me bij de museumvrijwilligers, maar er was niets aan de hand. Er was iemand bezig het alarm te testen.
![]() |
| Daar zit ze |
We hadden wel genoeg van die 18e-eeuwse romantiek en stapten de auto in voor een bekkien in Edam, een eindje verderop. Via de voormalige Zuiderzeedijk klommen we weer omhoog naar Enkhuizen, waar we de Houtribdijk overstaken richting huis. Het IJsselmeer was herfstachtig grijs en al lekker onstuimig. De zomer is voorbij. Maar mijn zomervakantie nog niet. Met de Museumjaarkaart in de knip valt er nog genoeg te ontdekken. En ik heb nog genoeg op mijn lijstje staan.
I 🧡 Nederland Museumland.










Reacties
Een reactie posten